Historie

Historische ontwikkeling van de kerk

De bouw: 1915-1927


Op zondag 8 augustus 1915 het startschot gegeven voor de nieuwe Heilige Familieparochie in Rotterdam. Vanaf 1913 waren betrokken burgers al druk bezig met de voorbereidingen van de oprichting hiervan. De aanleiding hiervoor waren de stadsuitbreidingen buiten de Schie- en Rottekade, waarbij de katholieke bevolking in dat stadgedeelte erg was toegenomen én steeds verder toe nam. Toentertijd stond ten noordwesten van de huidige Heilige Familiekerk nog een Noordkerk van hout. De jaren daarna werd begonnen met de verdere ontwikkeling van deze nieuwe parochie. Op 8 november 1922 vraagt het kerkbestuur van de parochie om schriftelijke toestemming voor de aankoop van gemeentegrond om daarop een pastorie en scholen te kunnen bouwen. Tegelijkertijd vraagt het kerkbestuur, onder toezending van tekeningen, bestek en begroting van de architecten Jos Cuypers en Pierre Cuypers, machtiging om over te gaan tot het bouwen van een pastorie ("Liber memoralis"," 1913-1925). Voor de financiering hiervan wordt er een aanvraag gedaan voor een lening bij de Bisschop van Haarlem en voorgesteld om daarvan jaarlijks 500 gulden af te lossen.

De Heilige Familiekerk

De bouw: 1915-1927

“Degene die den breeden opzet van de Noodkerk heeft gekend, begrypt ook dat hier wel alle aanleiding moet zyn om de definitieve parochiekerk een maximalen inhoud te geven” alsdus Joseph en Pierre Cuypers in 1927 ("Foto interieur," 1927). Bij de ‘nieuwe’, definitieve kerk werd gestreefd naar een maximaal aantal bruikbare plaatsen en een geringe kubieke inhoud om de bouwkosten te beperken. Het resultaat is een kruiskerk in expressionistische stijl met een kleine toren naast het noordelijk transept. Kenmerkend voor het expressionisme is dat zij gebouwen als Gesamtkunstwerk ontwierpen en ook hier is dat gebeurd. Cuypers ontwierp voor de kerk het interieur en enkele versieringen zoals een credenstafel, de glas-in-lood ramen, een godslamp en een kaarsenstandaard. De kerk werd samen met de pastorie ontworpen, maar aan de bouw van de pastorie gingen nog enkele jaren vooraf. De pastorie draagt daarom “kenmerken van den naoorlogstyd”, wat betekent dat er gestreefd werd naar een geringe inhoud, een centrale verdeling, geringe verdiepingshoogte en minimumafmetingen van de kamers.
Om verzakkingen te voorkomen werd gebruik gemaakt van een funderingsconstructie van dennen heipalen van 16 m lang en daarop een betonbalkconstructie, met pijlers van 2 hoog, dwarsbalken en betonvloeren. Het uitwendig metselwerk is met miskleurige klinkers uit Noord-Brabant opgetrokken. Voor het interieur zijn geel-grijs kleurige klinkers met daartussen gesinterde koppen en groen verglaasde gezands baksteen gebruikt om een rustig, warm aandoend geheel te creëren. Voor de overdekte delen zijn drie bouwwijzen gebruikt: ten eerste is gebruik gemaakt van plooibare, brandvrije halfsteens gewelven. Bij de nis van het priesterkoor heeft men het gewelf in afwisselend rode en gele lagen aangezet en schelpvormig gesloten. Het volgende koortravee en de zuidelijke kapel zijn vierkant in grondplan en hebben kruisgewelven. Door de beperkte hoogte van de noordelijke kapel is de zoldering en vloer hier in gewapend beton uitgevoerd. De overige ruimten zijn overkapt door de zolder en kapconstructie goed met elkaar te verbinden.
De hoofdconstructie van de kap bestaat uit spitsbogen spanten. De zoldering volgt deze spanten en is gemaakt van occumehout dat met beits behandeld is. Het dak en de gordingen zijn door stempels daarboven in een plat vlak gebracht. Hierdoor ontstaat een dubbele houten zolder die nog door vilt papier bladen geïsoleerd en tegen vocht beschermd is. De zijbeuken zijn overdekt met halfsteens gewelven van gele ijsselsteentjes. De bouw nam uiteindelijk een lange tijd in beslag. In juli 1925 werd de eerste paal geslagen. In 1926 werd de eerste steen gelegd en in oktober 1927 werd de kerk geheel in gebruik genomen.
In 1982 was de kerk te groot geworden voor het teruglopend aantal gelovigen. De kerk werd verbouwd, waarbij de eerste traveeën van het schip werden omgevormd tot een buurthuis. Bij deze verbouwing werd het fraaie drie-klaviersorgel van de bovengalerij naar beneden verplaatst. In 2013 werd bekend dat het orgel behouden wordt en een plaats zal krijgen in de St. Laurenskerk. De rest van het kerkgebouw werd tot 2007 gebruikt door de Heilige Familieparochie, die dat jaar opging in de nieuw opgerichte Sint Franciscus- en Claraparochie. Wegens verder teruglopend kerkbezoek is de Heilige Familiekerk op 15 juni 2008 gesloten.
Na 2008 is een gedeelte van de kerk in gebruik genomen door Liskids. Dit is een initiatief die in het leven geroepen is om (kleine) kinderen in de wijk te laten spelen, dit omdat er voor de kleinste vaak weinig te doen is. Zij zijn inmiddels verhuisd naar een andere locatie.

De architect

Josephus Theodorus Joannes (Joseph of Jos) Cuypers (Roermond, 10 juni 1861 – Meerssen, 20 januari 1949) was een Nederlands architect. Hij is vooral van belang als de architect van vele katholieke kerken. Hij was ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en ridder in de Orde van Sint-Gregorius de Grote. Hij was een zoon van de architect Pierre Cuypers en Antoinette Alberdingk Thijm. Hoewel hij, evenals vele andere architecten, in de firma van zijn vader was opgeleid ging Joseph voor zijn verdere scholing naar de Polytechnische Hogeschool in Delft, waar hij in 1883 afstudeerde. Daarna werkte hij als assistent van zijn vader. Zijn eerste eigen ontwerp is in 1884 pension Oud Leyerhoven in de Amsterdamse Vondelstraat, een straat die verder voor een groot deel beheerst wordt door werken van zijn vader. In 1888 ontwierp hij zijn eerste kerk, de Sint-Urbanus in Nes aan de Amstel die, net als andere kerken tijdens deze vroege periode, nog duidelijk de invloed van zijn vader vertonen. Cuypers was van meet af aan ook werkzaam op het gebied van restauraties. Vanaf 1891 werd de Sint-Plechelmusbasiliek in Oldenzaal onder zijn leiding gerestaureerd.
In 1944 werd zijn huis in Roermond door een bom verwoest. Cuypers verhuisde naar de pastorie van Meerssen, waar hij de laatste jaren van zijn leven doorbracht.